Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Verkrijgende en bevrijdende verjaring

Van verkrijgende verjaring is sprake indien iemand, die voorheen slechts bezitter van een goed was, door tijdsverloop rechthebbende op dat goed (geldt voor alle goederen, ook beperkte rechten) wordt. Dit heeft een belangrijke bewijsrechtelijke functie, zonder het instituut van verjaring kan niemand volledig bewijs leveren van zijn eigendom of zijn beperkt recht, dit staat naast het bewijsvermoeden van art 3:119 BW, de bezitter wordt vermoed rechthebbende te zijn. Er zijn twee soorten van verkrijging door verjaring, nl. ten gunste van de bezitter te goeder trouw (art 3:99 BW) en verkrijging door verjaring in aansluiting op de bevrijdende verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beŽindiging van het bezit, krachtens art 3:105 BW. De verkrijging door verjaring treedt van rechtswege in en heeft geen terugwerkende kracht. Wil iemand krachtens art. 3:99 BW door verkrijgende verjaring rechthebbende worden dan moet aan de volgende vereisten zijn voldaan:

-         Hij/zij moet bezitter van het goed zijn (Art 3:99 lid 1 BW). Bezit uit zich in de eerste plaats in de uitoefening van de feitelijke macht over het goed als ware men rechthebbende daarvan. De bezitter wordt dan ook vermoed rechthebbende te zijn.  
Bezit omschrijft zich krachtens art 3:107 BW als het houden van een goed voor zichzelf. Bezit kan zijn verkregen door inbezitneming (occupatie) (art 3:112 jo. 3:114 BW) en door bezitsverschaffing door een ander (art 3:90 BW). Anders dan een bezitter kan een houder nooit rechthebbende worden door verkrijgende verjaring.

-         Hij/zij dient te goeder trouw te zijn. Men is krachtens art 3:118 te goeder trouw wanneer de bezitter zich als rechthebbende beschouwt en zich redelijkerwijze ook als zodanig mocht beschouwen. Bij verkrijging van bezit door bezitneming zal niet snel van goede trouw sprake zijn. Bij overdracht is art 3:11 BW de maatstaf.
De wet kent in art. 3:86 en 3:88 beschermingsbepalingen tegen beschikkingsonbevoegdheid, voor registergoederen spelen ook de artikelen 3:24, 3:25 en 3:26 BW een rol. Is de bezitter eenmaal te goeder trouw, dan wordt hij geacht dit te blijven.

-         Er moet een bepaalde tijd verlopen zijn.  Deze termijn is drie jaar voor roerende zaken en rechten van toonder en order, tien jaar voor andere goederen en voor te boek staande schepen en luchtvaartuigen geldt een termijn van 5 jaar. Zie ook de artt. 3:99 lid 1, 3:101, 3:102 en 3;104 BW.

-         Het bezit dient onafgebroken te zijn. Bezitsverlies stuit een lopende verjaring, wordt het bezit herkregen dan gaat een nieuwe verjaring lopen. Onvrijwillig bezitsverlies onderbreekt de loop der verjaring niet, zie art. 3:103. De bezitter behoeft niet te bewijzen dat zijn bezit onafgebroken is geweest, dit volgt uit art 3;117 lid 2 BW.

-          Het moet niet een cultuurgoed betreffen als bedoeld in het tweede lid van 3:99 BW.

 

Bij verkrijging door verjaring krachtens art 3:105 BW (bevrijdende verjaring) gelden andere regels:

-       Er is steeds bezit vereist, een houder kan geen rechthebbende worden.

-       In de artikelen 3:105, 3:306 en 3:314 zijn de verjaringstermijnen te vinden.

-       Voor cultuurgoederen gelden bijzondere verjaringstermijnen (art 3:110 a en b BW).

-       Er zijn gronden voor stuiting of verlenging, (art 3:316-3:318 en 3:321 BW).

-       Goede trouw is niet vereist;  

 

Geplaatst op 24-06-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, VTH Advocatuur

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart