Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Rb stelt officier van justitie termijn in Carrousselfraudezaak

Rechtbank Haarle, 30 september 2010, ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8713

Het verzoekschrift verwijst kortheidshalve naar een eerder bij deze rechtbank ingediend en op de zitting van 2 september 2010 - naar achteraf moet worden vastgesteld - ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard verzoekschrift d.d. 8 juni 2010, dat ertoe strekt dat de rechtbank de jegens verzoeker onder bovenvermeld parketnummer geregistreerde strafzaak geëindigd zal verklaren gelet op het bepaalde in artikel 36 Wetboek van Strafvordering, subsidiair dat de rechtbank een termijn zal stellen als bedoeld in artikel 267 van het Wetboek van Strafvordering.

Op 16 september 2010 is dit verzoekschrift in raadkamer behandeld.

Voor verzoekster is verschenen mr. Brink, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. J.H. van der Werff.

Van het verhandelde in raadkamer achter gesloten deuren is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Beoordeling

Op 13 juni 2006 is verzoeker aangehouden en in verzekering gesteld op verdenking van betrokkenheid bij een zogenaamde BTW carrousselfraude. Hierop zijn de bewaring en gevangenhouding van verzoeker gevolgd, waarna verzoeker op 4 augustus 2006 is geschorst uit de voorlopige hechtenis.

Bijna drie jaar na de aanhouding van verzoeker, op 21 mei 2009, werd verzoeker gedagvaard voor de zitting van de meervoudige strafkamer van deze rechtbank op 18 juni 2009, waarna de dagvaarding op (datum) is ingetrokken.

Sindsdien is tot op heden geen nieuwe dagvaarding uitgegaan.

Van de zijde van verzoeker is er – zakelijk weergegeven – onder meer op gewezen, dat:

- sinds de aanhouding van verzoeker door de verdediging zeer veelvuldig correspondentie is gestuurd aan het openbaar ministerie, waarop door het openbaar ministerie in de visie van de verdediging niet, dan wel onvoldoende is gerespondeerd, waarmee het openbaar ministerie zich in de visie van de verdediging buitengewoon onheus en onwillig heeft opgesteld jegens verzoeker;

- door verzoeker zeer veel schade is geleden als gevolg van het strafrechtelijk onderzoek tegen hem, en de onrechtmatige beslagen, waarbij te laat uitvoering is gegeven aan de beslissing van de rechtbank omtrent opheffing, waardoor het bedrijf van verzoeker failliet is gegaan;

- blijkens een door de raadsman overgelegde brief van de rechter-commissaris het einddossier in de strafzaak reeds in de zomer van 2007 gereed was, zodat het onbegrijpelijk is waarom de dagvaarding van verzoeker op zich heeft laten wachten tot juni 2009;

- de dagvaarding voor de zitting van 18 juni 2009 zeer kort voor de zitting is ingetrokken, van welke intrekking de verdediging pas een dag voor de zitting op de hoogte raakte;

- de verdediging sindsdien niets meer heeft vernomen met betrekking tot een eventuele nieuwe dagvaarding in deze strafzaak;

- er ook sinds de vorige behandeling van het onderhavige verzoekschrift op 2 september 2010 – bij welke gelegenheid verzoeker ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard – geen actie is ondernomen door het openbaar ministerie in de vorm van een dagvaarding.

Verzoeker concludeert dat de rechtbank, gegeven het tijdsverloop in samenhang bezien met vorenstaande punten, de strafzaak thans geëindigd zal verklaren.

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – onder meer aangevoerd, dat:

- verzoeker een ernstig strafrechtelijk verwijt wordt gemaakt in het kader van omvangrijke internationale BTW carrousselfraude, waarmee grote bedragen gemoeid zijn. Verzoeker heeft in diverse verhoren aangegeven dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan in ieder geval een deel van de strafrechtelijke verwijten.

- dat door personele verschuivingen, hetgeen geen rechtvaardiging vormt, het langer dan gebruikelijk heeft geduurd om tot een beoordeling van de gecompliceerde zaak te komen en het uitbrengen van een dagvaarding.

- verzoeker met wisselend succes klaagschriften heeft ingediend tegen het voortduren van het beslag, waarbij de Belastingsdienst inderdaad door tussenkomst van de FIOD en met goedkeuring van de toenmalige officier niet rechtmatig lijkt te hebben gehandeld door een beslaglegging op rekeningen van verzoeker bij de ABN AMRO bank (in plaats van onder de vennootschappen). Hoe betreurenswaardig ook, heeft dit op zich geen consequenties voor de strafzaak zelf.

- de dagvaarding voor de zitting van 18 juni 2009 destijds vlak voor de zitting is ingetrokken in verband met geheimhoudersproblematiek, waarover destijds bij het openbaar ministerie onvoldoende duidelijkheid bestond.

- de desbetreffende geheimhoudersgesprekken niet uitgewerkt zijn door verbalisanten en thans vernietigd zijn, zodat het niet in de lijn der verwachting ligt dat deze problematiek tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal leiden;

- het openbaar ministerie zich, mede gelet op het tijdverloop sinds de aanhouding, reeds beraden heeft over afdoening van de zaak door middel van een transactie, waarover ook - laatstelijk op 26 juli j.l. - overleg is gevoerd met de verdediging. In afwachting daarvan is besloten om vooralsnog niet te dagvaarden, omdat dit niet opportuun werd geacht. Daarbij is het Functioneel Parket afhankelijk van de (beperkte) zittingsruimte bij de rechtbank voor zaken die niet door het Haarlemse parket worden aangebracht, waardoor het lastig is om zaken lang van te voren op zitting te plannen. De verdediging heeft zich blijkens haar brief van 23 augustus 2010 bereid getoond over een transactievoorstel van het OM na te denken.

Op grond daarvan heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek, dan wel tot aanhouding van de beslissing, zulks onder het stellen van een termijn waarbinnen tot aanbrenging van de strafzaak dient te worden overgegaan.

De raadsman heeft ter zitting aangegeven niet akkoord te willen gaan met een eventueel transactievoorstel van het openbaar ministerie, aangezien in de visie van de verdediging het betalen van een bedrag aan het openbaar ministerie niet aan de orde is, nu verzoeker inmiddels door toedoen van het openbaar ministerie failliet is verklaard en verzoeker derhalve recht heeft op schadevergoeding. Het accepteren van een transactievoorstel zou daarom indruisen tegen de gevoelens die hieromtrent bij de verdediging leven.

De rechtbank overweegt het volgende.

Vastgesteld moet worden dat thans inmiddels ruim vier jaar verstreken zijn sinds de aanhouding en inverzekeringstelling van verzoeker op 13 juni 2006. Aan de verdediging moet worden toegegeven dat dit rijkelijk lang is, ook bezien in het licht dat het een gecompliceerde strafzaak betreft met internationale aspecten.

De rechtbank begrijpt uit de beschikking van de enkelvoudige raadkamer van de rechtbank Haarlem van 6 november 2008 (omtrent het klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag) dat bij de behandeling in raadkamer door het openbaar ministerie is aangegeven dat de zaak nagenoeg zittingsklaar was en dat het de bedoeling was de zaak zo snel mogelijk op een zitting aan te brengen, bij voorkeur in het eerste of tweede kwartaal 2009. De rechtbank heeft bij die beschikking geoordeeld dat niet aannemelijk is dat de rechtbank, gelet op de recente jurisprudentie van de Hoge Raad, wanneer de zaak in 2009 op zitting wordt aangebracht, zal besluiten dat het openbaar ministerie in haar vervolging niet ontvankelijk verklaard zal worden wegens overschrijding van de redelijke termijn. Daarop heeft het openbaar ministerie verzoeker gedagvaard voor de zitting van 18 juni 2009, dat wil zeggen conform de aankondiging in het tweede kwartaal 2009. De intrekking van de dagvaarding daags voor de zitting verband houdend met de geheimhoudersproblematiek, heeft andermaal vertraging opgeleverd.

De rechtbank is van oordeel dat het voor de hand had gelegen dat na de intrekking van de dagvaarding het openbaar ministerie met grote voortvarendheid alsnog een beslissing had genomen omtrent de vraag of de vervolging van verzoeker zou moeten worden voortgezet en - bij bevestigende beantwoording van die vraag - de zaak op de zitting had aangebracht, temeer nu inmiddels drie jaar verstreken waren tussen het moment van aanhouding inverzekeringstelling en de dagvaarding en de problematiek rondom geheimhoudersgesprekken met in achtneming van de arresten van het Hof Den Bosch van 4 september 2009 en Hof Amsterdam van 30 juli 2009 inmiddels voldoende inzichtelijk was geworden. Het openbaar ministerie heeft er echter kennelijk voor gekozen om, zich bewust van het tijdsverloop, een transactie voorstel aan verzoeker te doen, waartegenover verzoeker kennelijk naar de inschatting van het openbaar ministerie niet onwelwillend stond. De rechtbank begrijpt op zichzelf de keuze van het openbaar ministerie om verzoeker in afwachting van deze gesprekken niet te dagvaarden, maar daartoe eerst over te gaan, indien de weg van een transactie definitief was afgesloten, maar onderkent daarbij tevens dat daardoor weer aanzienlijke vertraging in de afdoening van de zaak is opgetreden.

Bij de beoordeling van het primaire verzoek tot beëindiging van de strafzaak overweegt de rechtbank dat zij dat verzoek zal afwijzen.

De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het gaat om ernstige strafbare feiten, waarvan verdenking bestaat en dat door dit soort feiten via de daarmee beoogde en gerealiseerde belastingontduiking grote financiële schade aan de overheid wordt toegebracht. De rechtbank heeft daarbij voorts in aanmerking genomen dat de door het openbaar ministerie in deze zaak onderkende problematiek van de geheimhoudersgesprekken de opgetreden vertraging heeft veroorzaakt, terwijl het altijd de - ook ter kennis van verzoeker gebrachte - bedoeling van de officier van justitie is geweest om verzoeker voor die feiten te vervolgen, dan wel in een later stadium in de gelegenheid te stellen strafvervolging te voorkomen door het aangaan van een transactie.

Daarenboven is het in verband met de door verzoeker gepretendeerde schade als gevolg van het optreden van het openbaar ministerie van belang dat, nu duidelijk lijkt te zijn geworden dat verzoeker geen prijs stelt op een afdoening via een transactie de strafrechter zo spoedig mogelijk een oordeel uitspreekt over de feiten, waarvan jegens verzoeker verdenking bestaat.

De rechtbank zal daarom – met inachtneming van het bepaalde in artikel 267 van het Wetboek van Strafvordering – de officier van justitie een termijn van 6 weken stellen, waarbinnen tot dagvaarding dan wel tot kennisgeving van niet verdere vervolging moet worden overgegaan.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het primaire verzoek af.

Stelt de officier van justitie een termijn van 6 weken na heden, waarbinnen tot dagvaarding dan wel tot kennisgeving van niet verdere vervolging van verzoeker moet worden overgegaan.

Geplaatst op 13-12-2013, door mr. J.J. van 't Hoff, VTH Advocatuur

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart