Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Gesprek verdachte met advocaat medeverdachte valt niet onder verschoningsrecht

LJN: BM8949, Gerechtshof 's-Gravenhage, 23 juni 2010
Vooreerst overweegt het hof dat aan het in artikel 218 WvSv neergelegde verschoningsrecht ten grondslag ligt dat het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, in beginsel moet wijken voor een ander maatschappelijk belang, te weten dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde om bijstand en advies tot de zogenoemde geheimhouders moet kunnen wenden. De in artikel 126aa WvSv neergelegde vernietigingsveplichting houdt direct verband met dit in onze rechtsorde verankerde beginsel. Het ingevolge artikel 218 WvSv aan de advocaat toekomende verschoningsrecht is daarbij beperkt tot hetgeen aan hem in die hoedanigheid is toevertrouwd.

Anders dan de verdachte is het hof echter van oordeel dat de gesprekken van 3 en 5 oktober 2006 niet kunnen worden aangemerkt als gesprekken tussen een hulpzoekende en een verschoningsgerechtigde, in de zin van artikel 218 WvSv, nu uit het dossier genoegzaam kan worden afgeleid dat mr. [raadsman 1] op het moment dat de bedoelde gesprekken tussen hem en de verdachte plaatshadden, optrad in de hoedanigheid van raadsman van de medeverdachte [medeverdachte]. Allereerst wijst het hof in dit verband kortheidshalve op hetgeen daaromtrent in de brief van de rechter-commissaris mr. M.J.A. Plaisier, d.d. 19 oktober 2006, is opgenomen, te weten:

" – post alia -
Vastgesteld moet worden dat mr. [raadsman 1] aan een derde – zijnde [verdachte] – mededelingen doet omtrent zijn cliënt [medeverdachte]. Nu mr. [raadsman 1] aan een derde mededelingen doet omtrent zijn client [medeverdachte], kan mr. [raadsman 1] geen aanspraak meer maken op zijn verschoningsrecht ten aanzien van zijn client [medeverdachte].”

Daarnaast heeft het hof bij dit oordeel onder meer acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden, zoals deze uit het dossier kunnen worden afgeleid:
i) de verdachte is degene geweest die - in overleg met de vriendin van medeverdachte [medeverdachte], [getuige 2] - de hem bekende mr. [raadsman 1] heeft ingeschakeld als advocaat van [medeverdachte], zodra hem bekend werd dat [medeverdachte] was aangehouden,
ii) het tapgesprek tussen de verdachte en mr. [raadsman 1] van 5 oktober 2006 te 09:44:25 uur, waarin [raadsman 1] aan de verdachte te kennen geeft dat hij "nu naar een voorgeleiding van meneer LW (het hof begrijpt: [medeverdachte]) is, die hem gisteren opbelde dat er DNA onderzoek was geweest en dat hij inmiddels van een moord of een doodslag dan wel een diefstal met dodelijk gevolg of zo iets verdacht werd”, alsmede
iii) het proces-verbaal van bevindingen PL1850/06-080745 (1.V1.2) in samenhang bezien met het proces-verbaal van relaas PL1850/06-504762, pagina’s 22-23, waaruit blijkt dat [medeverdachte] op 4 oktober 2006 viermaal door de politie is gehoord en tussen die verhoren door telefonisch contact heeft gehad met zijn advocaat, zijnde mr. [raadsman 1].

Dat, zoals door de verdachte gesteld, niet mr. [raadsman 1], maar slechts diens toenmalige kantoorgenoot mr. [raadsman 2] optrad als advocaat van [medeverdachte], acht het hof – gelet op het vorenoverwogene – niet aannemelijk. De omstandigheid dat mr. [raadsman 2] [medeverdachte] kennelijk na diens inverzekeringstelling (eenmaal) heeft bezocht, maakt dit oordeel niet anders.

Het enkele feit dat er sprake was van (telefonisch) contact tussen de verdachte en mr. [raadsman 1] leidt naar ’s hofs oordeel niet tot de conclusie dat die gesprekken zonder meer vallen binnen het aan laatstgenoemde in beginsel toekomende verschoningsrecht, teminder nu die gesprekken geen mededelingen bevatten als bedoeld in artikel 126aa, tweede lid WvSv.

Nu er met betrekking tot de gesprekken van 3 en 5 oktober 2006 naar ’s hofs oordeel geen sprake is van geheimhoudersgesprekken in de zin van de artikelen 218 juncto 126aa WvSv, is bedoeld verweer reeds daarom niet voor toewijzing vatbaar.

Aldus kan dan ook door het hof – anders dan door de verdachte – niet de conclusie worden getrokken dat de verdachte geschonden is in zijn recht op vrij en onbeperkt verkeer met een raadsman, zoals bedoeld in artikel 6, derde lid EVRM.

Ingeval de bedoelde gesprekken tussen de verdachte en mr. [raadsman 1] anders geduid zouden dienen te worden, acht het hof het niet aannemelijk dat de verdachte door het desbetreffende verzuim in enig individueel concreet rechtens te respecteren belang is geschaad, dan wel dat er aldus doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn belangen aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan, temeer nu de verdachte op 25 oktober 2006 zelf uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om deze gesprekken tussen hem en mr. [raadsman 1] aan het dossier toe te voegen (1.V2.10).
Met betrekking tot het getapte gesprek van 7 december 2006 overweegt het hof als volgt.
Het hof constateert dat bedoeld gesprek in strijd met het bepaalde in de artikelen 218 en 126aa WvSv, artikel 4 van het Besluit bewaren en vernietigen niet-gevoegde stukken alsmede de Instructie vernietiging geïntercepteerde gesprekken met geheimhouders van het College van procureurs-generaal van 12 maart 2002 niet aanstonds is vernietigd, ondanks een zich in het dossier bevindend daartoe strekkend bevel van de officier van justitie.

Gelet op de schending van bovengenoemde voorschriften, die strekken ter bescherming van het verschoningsrecht, welk recht de wetgever in het algemeen van hogere orde acht dan het belang dat is gemoeid met de waarheidsvinding in een strafzaak, alsmede het belang dat aan een strikte handhaving van het verschoningsrecht moet worden toegekend, is er naar het oordeel van het hof sprake van een ernstig vormverzuim, begaan bij het voorbereidend onderzoek. Daargelaten de vraag of dit een onherstelbaar verzuim behelst, daar er – naar mag worden aangenomen – alsnog gevolg kan worden gegeven aan het bevel tot vernietiging, is het hof van oordeel dat er in elk geval geen sprake is van een verzuim waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Het hof merkt in dit verband op dat bedoeld gesprek nimmer is uitgewerkt noch aan het dossier is toegevoegd. Voorts heeft het hof geen enkele aanwijzing gevonden dat naar aanleiding van dit opgenomen gesprek onderzoekshandelingen zijn verricht, dan wel dat informatie daaruit (anderszins) als sturingsinformatie is gebruikt.

Ook ten aanzien van de procedurele afwikkeling van de vernietiging van het geheimhoudersgesprek is overigens geen sprake van doelbewust of met grove veronachtzaming de belangen van de verdachte op een eerlijk proces tekortdoen. Het hof stelt weliswaar vast dat de politie en het openbaar ministerie niet met voldoende zorgvuldigheid hebben gehandeld door niet de nodige controle uit te oefenen op het effectueren van de door het openbaar ministerie afgegeven vernietigingsbeschikking, maar deelt niet de visie van de verdachte dat er willens en wetens in strijd met de waarheid is gerelateerd of vernietiging achterwege is gebleven.

Evenmin acht het hof overigens termen aanwezig om – wanneer het tot een strafoplegging komt – wegens dit vormverzuim een strafkorting te geven. Het hof volstaat dan ook met het vaststellen van bovengenoemd vormverzuim, nu niet is gebleken dat verdachte ten gevolge van dit verzuim in enig individueel concreet belang is geschaad en daardoor enig nadeel heeft ondervonden als bedoeld in artikel 359a, tweede lid WvSv.

Geplaatst op 25-06-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, VTH Advocatuur

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart