Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Aanwezigheidsrecht vs belang van behoorlijke rechtspleging

Een verdachte heeft op grond van art. 6 EVRM recht op berechting in zijn tegenwoordigheid, maar kan daarvan afstand doen, mits dat nop ondubbelzinnige wijze wordt gedaan.
Daarnaast moet het aanwezigheidsrecht wel worden afgewogen tegen het belang van een behoorlijke rechtspleging.

Wanneer de verdachte aangeeft gebruik te willen maken van zijn aanwezigheidsrecht kan dat niet makkelijk worden genegeerd.

Wel moet de raadsman altijd zorgvuldig zijn woorden kiezen. Zo is het niet altijd verstandig wanneer de raadsman aanvoert de avond daarvoor contact te hebben gehad met zijn client en dat zijn client bekend is met de zitting, maar dat hij niet komt omdat hij geen dagvaarding had ontvangen, terwijl blijkt dat de dagvaarding wel juist is betekend (HR 5 januari 2010, LJN BK2145).
De Hoge Raad benadrukt in het arrest dat bij de beslissing op een aanhoudingsverzoek de rechter een afweging moet maken tussen alle daarvoor in aanmerking komende belangen, waaronder het aanwezigheidsrecht van de verdachte, maar ook het belang van een spoedige berechting, welk belang niet alleen geldt voor de verdachte, maar ook voor de samenleving, en het belang van een goede organisatie van de rechtspleging

Het is belangrijk dat de raadsman bij een verzoek tot aanhouding niet alleen aangeeft dat de verdachte zich niet deugdelijk heeft kunnen voorbereiden, maar ook dat de verdachte gebruik wilt maken van zijn aanwezigheidsrecht (HR 26 januari 1999, NJ 1999, 294, LJN ZD1314).

 

Wanneer de raadsman verklaart dat zijn cliŽnt wegens griep niet naar de zitting kan komen en gebruik wilt maken van zijn aanwezigheidsrecht, moet de rechter de zitting aanhouden (HR 7 april 2009, NJ 2009, 186, LJN BH0566).
Zie ook HR 21 april 2009, NJ 2009, 323, LJN BH5171 waarin de Hoge Raad casseerde en overwoog dat het hof het verzoek niet had mogen afwijzen op de enkele grond dat geen medische verklaring was overgelegd, zonder dat was onderzocht of het overleggen van een verklaring dan wel van andere gegevens in redelijkheid verlangd had kunnen worden.

In HR 19 mei 2009, NJ 2009, 248, LJN 7256 was het de verdachte zelf die het aanhoudingsverzoek had gedaan. Er was een vertrouwensbreuk ontstaan tussen hem en zijn raadsman over de opgestelde pleitnota. Hij had inmiddels een andere raadsman, maar die had zich nog niet kunnen voorbereiden. Het hof had het aanhoudingsverzoek verworpen op de grond dat de verdachte dan maar eerder met zijn raadsman had moeten overleggen, maar de Hoge Raad vond deze overweging niet zonder meer begrijpelijk omdat de verdachte had verklaard dat hij verschillende keren zijn raadsman had gesproken en pas enkele dagen terug de vertrouwensbreuk was gerezen.

Dat het door toedoen van het OM niet meer gebruik kunnen maken van het aanwezigheidsrecht kan zelfs leiden tot een niet-ontvankelijkheid van het OM zien we in een uitspraak van het hof Arnhem (26 maart 2010, LJN BM0293). In deze zaak was de verdachte uitgezet naar Congo. De gemachtigd raadsman verzocht niet-ontvankelijkheid gelet op het feit dat het OM had gehandeld in strijd met art. 6 EVRM en de vreemdelingencirculaire. De A-G vond dat niet-ontvankelijkheid niet aan de orde was omdat de verdachte niet ter voorkoming van zijn juridische uitzetting had aangegeven dat hij gebruik wilde maken van zijn aanwezigheidsrecht, maar het hof oordeelde dat niet was gebleken dat verdachte afstand had gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. De inbreuk op het aanwezigheidsrecht zou onvoldoende kunnen worden gecompenseerd door de omstandigheid dat de raadsman was gemachtigd om buiten aanwezigheid van de verdachte het woord te voeren.



Geplaatst op 13-06-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, VTH Advocatuur

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart