Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Formules rechtbank Amsterdam mbt ontslagvergoeding ambtenaren

LJN: BR0604, Rechtbank Amsterdam, 22 juni 2011
Het beroep is ongegrond voor zover het is gericht tegen het besluit eiser eervol ontslag te verlenen op grond van artikel 12.12, eerste lid, van de CAO UMC wegens de ontstane verstoorde arbeidsverhouding tussen eiser en zijn leidinggevende. Het beroep voor zover gericht tegen de aangeboden financiële compensatie is gegrond. Verweerder heeft in redelijkheid niet kunnen volstaan met het reeds aangeboden bedrag van € 50.000. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding in overwegende mate, te weten voor 75%, aan verweerder is te wijten. Op grond van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb stelt de rechtbank zelf de hoogte vast van de door verweerder aan eiser te betalen financiële compensatie zoals bedoeld in artikel 12.12, derde lid, van de CAO-UMC. Daarbij heeft de rechtbank de volgende berekening toegepast: het aantal dienstjaren vermenigvuldigd met het vaste bruto maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag vermenigvuldigd met een getalsmatige waardering van de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding.

LJN: BO1577, Rechtbank Amsterdam, 1 september 2010
Financiële vergoeding van € 20.000 bij ontslag op andere gronden. Aandeel van verweerder bij ontstaan van impasse niet meegenomen in hoogte van de vergoeding. Rechtbank voorziet zelf. Proceskostenvergoeding x factor 1.5


LJN: AE9115, Rechtbank Amsterdam, 13 september 2002

Ontslag op andere gronden. Berekening financiële compensatie. Verweerder heeft eiseres per 25 september 1999, wegens een verstoorde verhouding tussen eiseres en W, ontslag verleend o.g.v. art. 1122, aanhef en sub d, ARA onder toekenning van een aanspraak op uitkering ex Wachtgeldverordening. In de bezwaarfase is eiseres alsnog een financiële compensatie ad fl. 20.000,- (€ 9.075,60) toegekend, aangezien verweerder van mening was dat het arbeidsconflict niet volledig aan eiseres kon worden aangerekend. De rechtbank komt tot het oordeel dat het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding in overwegende mate aan verweerder is te wijten. De rechtbank komt vervolgens toe aan de toetsing van de aangeboden financiële compensatie. Gelet op de hiervoor genoemde aan verweerder te maken verwijten is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in redelijkheid kon volstaan met een financiële compensatie van f 20.000,00 bruto. Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd. Eiseres heeft de rechtbank verzocht onder toepassing van art. 8:72.4 Awb zelf in de zaak te voorzien. Verweerder heeft hiermee ingestemd. Nu beide partijen blijkbaar behoefte hebben aan een spoedige en definitieve beëindiging van het tussen hen bestaande geschil, meent de rechtbank aan het verzoek van eiseres tegemoet te moeten komen. De rechtbank zal derhalve zelf de hoogte van de door verweerder aan eiseres te betalen financiële compensatie vaststellen. Bij de vaststelling van een met het oog op de omstandigheden redelijk te achten financiële compensatie gaat de rechtbank er vanuit dat deze strekt tot gedeeltelijke compensatie van het als gevolg van het ontslag te verwachten inkomensverlies. Het komt de rechtbank daarom redelijk voor een relatie te leggen met de hoogte van het door eiseres verdiende maandsalaris. Voorts acht de rechtbank het redelijk rekening te houden met de duur van het dienstverband, zulks vanuit de gedachte dat de verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan als werkgever jegens zijn ambtenaren toeneemt naarmate het dienstverband langer heeft geduurd en de relatie hechter is geworden. Verder dient betekenis toe te komen aan de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding. Tot slot dient de rechtbank te beoordelen of de overige omstandigheden van het geval tot een correctie behoren te leiden. Omdat het gaat om een financiële compensatie in het kader van een rechtmatig ontslag en dus niet om een schadevergoeding in het kader van een onrechtmatig ontslag, ziet de rechtbank bij de vaststelling van een financiële compensatie geen plaats voor compensatie van pensioenschade. Het voorgaande leidt de rechtbank tot de volgende berekening: dienstjaren x vast maandsalaris, vermeerderd met de vakantietoeslag x een getalsmatige waardering van de mate waarin sprake is van een overwegend aandeel van verweerder in het ontstaan en voortbestaan van de verstoorde verhouding. Het resultaat van deze berekening dient mogelijk vervolgens aan de hand van de overige omstandigheden van het geval gecorrigeerd te worden. In casu leidt deze berekening tot een financiële compensatie van in totaal € 57.000,-. Gegrond beroep. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder. mrs. T. van Peijpe, L.A.C. van Nifterick, L.C. Bachrach

Geplaatst op 31-01-2012, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart