Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Verzoek opheffing gijzeling afgewezen; gesloten stelsel van rechtsmiddelen

LJN: BG7878, Rechtbank Leeuwarden, 26 november 2008
.1.  [eiseres] legt aan haar vordering ten grondslag dat de staat ten opzichte van haar onrechtmatig handelt door haar nog langer in gijzeling te houden.

4.2.  Ter gelegenheid van de tweede mondelinge behandeling heeft [eiseres] aangevoerd dat zij niet behoorlijk is opgeroepen als gevolg waarvan zij zich ten overstaan van de kantonrechter niet heeft kunnen verdedigen. [eiseres] stelt dat wanneer zij in de gelegenheid was geweest om bij de kantonrechter haar verhaal te kunnen doen, de kantonrechter nimmer een machtiging verstrekt zou hebben tot 91 dagen gijzeling. [eiseres] wijst er in dit kader op dat zij na de vuurwerkramp in Enschede depressief is geraakt, mede waardoor haar twee kinderen uit huis geplaatst zijn en dat zij juist weer het contact met haar kinderen aan het opbouwen was. Dit klemt volgens [eiseres] te meer omdat haar zoon verstandelijk beperkt is en weliswaar niet bij haar woont, maar er wel op rekent dat zij er in het weekend is om hem te verzorgen en op te voeden. Verder wijst [eiseres] er op dat haar dochter nog maar zes jaar oud is, en zij er aan hecht het contact dat verstoord is, te herstellen. Ook maakt [eiseres] zich zorgen om haar huurwoning. Zij voert aan dat haar echtgenoot de huurwoning heeft verlaten, en dat zij niet weet of de huur wordt betaald. Tot slot werpt [eiseres] op dat zij zou beginnen met een werkweek van 20 uur aangevuld met een uitkering WWB en dat zij hier als gevolg van de gijzeling geen uitvoering aan kan geven.

4.3.  De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling van de onderhavige vorderingen tot opheffing dan wel schorsing van de maatregel van gijzeling voorop dat het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zich ertegen verzet dat de burgerlijke rechter tot een eigen oordeel komt over de gerechtvaardigdheid of rechtsgeldigheid van de verleende machtigingen. Met dit stelsel is in algemene zin niet verenigbaar dat degene op wie een rechterlijke machtiging tot gijzeling betrekking heeft de gelegenheid zou hebben om door een vordering tegen de staat op grond van onrechtmatige daad de juistheid van een beslissing van de kantonrechter dan wel de aanvaardbaarheid van de procesgang die tot diens beslissing heeft geleid, tot onderwerp van een nieuw geding te maken en aldus door de burgerlijke rechter te laten toetsen. De voorzieningenrechter dient in beginsel uit te gaan van de rechtmatigheid van de door de kantonrechter verleende machtigingen. De voorzieningenČrechter dient zich derhalve bij de beoordeling van de vordering van [eiseres] terughoudend op te stellen. De voorzieningenrechter laat hier dan ook verder buiten bespreking de door [eiseres] geformuleerde argumenten dat het opgelegde dwangmiddel buitenproportioneel zou zijn, dat het dwangmiddel oneigenlijk wordt gebruikt, dat mede door de lange duur het punitief karakter van de maatregel is verlaten en dat de redelijkheid en billijkheid de uitvoering van de maatregel van gijzeling opzij zetten.

4.4.  Op het hiervoor geformuleerde uitgangspunt wordt slechts een uitzondering gemaakt indien zich (zeer) bijzondere omstandigheden voordoen of wanneer zich tijdens de procedure tot het verkrijgen van de machtigingen onregelmatigheden hebben voorgedaan, zoals de door [eiseres] gestelde situatie dat zij niet behoorlijk is opgeroepen.

4.5.  [eiseres] heeft overgelegd een uittreksel uit het persoonsregister van de gemeente [woonplaats], waarin is opgenomen dat zij vanaf 10 oktober 2005 in de gemeente is gevestigd en dat zij vanaf 17 oktober 2007 op haar huidige adres woont. Dit lijkt op het eerste gezicht niet te rijmen met de oproepingen van [eiseres] bij openbaar exploot alsof zij niet over een vaste woon- of verblijfplaats zou beschikken. Uit de door de staat overgelegde stukken van het CJIB blijkt evenwel dat [eiseres] vanaf 10 oktober 2005 niet altijd een vaste woon- of verblijfplaats gehad heeft. De voorzieningenrechter maakt uit die stukken op dat het CJIB de adresgegevens van [eiseres], zoals die zijn opgenomen in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, herhaaldelijk heeft geverifieerd. Zo blijkt uit een check van die gegevens op 27 juni 2006 dat [eiseres] op dat moment geen vaste woon- of verblijfplaats had. Op 12 december 2007 heeft het CJIB geconstateerd dat [eiseres] op haar huidige adres verblijft. Dit correspondeert met het door [eiseres] overgelegde uittreksel waarin is vermeld dat zij daar vanaf 17 oktober 2007 verblijft. Tegen de achtergrond dat de machtigingen zijn verstrekt in de periode van 30 november 2006 tot en met 21 januari 2008 en de uiteenzetting van de staat dat tussen de oproeping en de zitting een periode van enkele maanden kan zitten, valt geenszins uit te sluiten dat [eiseres] op het moment van de betekening van de oproepingsexploten geen vaste woon- of verblijfplaats had. [eiseres] heeft het tegendeel in dit kort geding naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet voldoende aannemelijk weten te maken. Omdat ook de kantonrechter in zijn machtigingen van 30 november 2006 en 8 januari 2007, 22 januari 2007, 5 februari 2007 en 21 januari 2008 heeft vastgesteld dat [eiseres] behoorlijk is opgeroepen, oordeelt de voorzieningenrechter aannemelijk dat de oproeping van [eiseres] volgens de regels is gegaan.

4.6.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat ook geen andere (zeer) bijzondere omstandigheden zijn gebleken op basis waarvan de gijzeling kan worden opgeheven dan wel geschorst. Het belang van [eiseres] bij het opbouwen van het contact met haar kinderen is niet een zodanig belang. De voorzieningenrechter neemt daarbij in aanmerking dat de kinderen niet bij [eiseres] wonen.

4.7.  De voorzieningenrechter merkt nog op dat daar waar [eiseres] in haar dagvaarding zich bereid heeft verklaard om zich in te spannen om de boetes in twee termijnen te betalen, een aanbod van de staat is gevolgd om de boetes in twee termijnen te betalen.

4.8.  Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. De voorzieningenrechter vindt aanleiding de kosten te compenseren op de in het dictum te vermelden wijze.


5.  De beslissing
De voorzieningenrechter:

1.  weigert de gevraagde voorzieningen;

2.  compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Geplaatst op 06-04-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, VTH Advocatuur

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart