Artikel 17, lid 1 (indebetstelling ogv WRB)
Indien op het tijdstip waarop het vast recht verschuldigd wordt een afschrift van het bewijs van toevoeging als bedoeld in artikel 29 van de Wet op de rechtsbijstand is overgelegd wordt het recht door de betrokkene verschuldigd, voor drievierde deel, of indien bij de toevoeging een eigen bijdrage is opgelegd als bedoeld in artikel 35, derde lid, onder e, of artikel 35, vierde lid, onder e van die wet, voor de helft in debet gesteld.
Indien het vast recht meer dan €471 (geldend in 2010) bedraagt, wordt het recht in de hiervoor bedoelde gevallen, behoudens een bedrag van €119 (geldend in 2010) onderscheidenlijk €239 (geldend in 2010) in debet gesteld.
Toelichting
Zoals uit artikel 2, lid 1, blijkt is in rolzaken het vast recht door de eiser verschuldigd na de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting. De hoogte van het griffierecht moet worden vastgesteld aan de hand van de wettelijke regeling die geldt op het moment dat griffierecht verschuldigd is, onafhankelijk van de datum van afgifte van de toevoeging en de toen geldende bedragen en grenzen. De gedaagde is, behalve in zaken voor de kantonrechter en de pachtkamer, het vast recht verschuldigd zodra van zijn verschijnen blijkt. In verzoekschriftprocedures is de verzoeker het vast recht verschuldigd bij de indiening van het verzoekschrift en, voor dergelijke procedures voor de colleges, door de verweerder bij de indiening van een verweerschrift. Als op het moment waarop het recht verschuldigd een afschrift van het bewijs van toevoeging wordt overgelegd, dan wel een mededeling wordt gedaan dat de toevoeging is aangevraagd, dan wordt het door de rechtzoekende verschuldigde vast recht voor drievierde deel in debet gesteld.
Als de raad voor rechtsbijstand bij de toevoeging een eigen bijdrage heeft opgelegd genoemd in artikel 35 van de Wet op de rechtsbijstand wordt het griffierecht voor de helft in debet gesteld. Zie voor de hoogte van de eigen bijdrage artikel 2 van het Besluit eigen bijdrage rechtsbijstand. Elke toevoeging wordt als een definitieve behandeld. De griffier houdt de bevoegdheid als bedoeld in artikel 17, lid 3, Wtbz. Wordt op het evengenoemd moment genoemde verklaring niet overgelegd, dan wordt het volle recht in rekening gebracht. Een uitzondering hierop is gemaakt in het tweede lid van artikel 17, waar is geregeld dat als de toevoeging al is aangevraagd het recht ook in debet kan worden gesteld. Bij latere overlegging van die stukken kan in beginsel geen aanspraak worden gemaakt op gedeeltelijke indebetstelling c.q. gedeeltelijke restitutie van eventueel reeds betaald recht.
Op 1 oktober 1999 trad artikel 18a van de Wtbz in werking, dat regelt dat toch achteraf nog indebetstelling kan plaatsvinden als dat niet tijdig is gebeurd door onwetendheid van de betrokkene (...ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan de betrokkene zijn toe te rekenen...)
Het in rekening te brengen deel van het verschuldigde recht wordt van de rekening-courant van de advocaat of gemachtigde van de rechtzoekende afgeschreven. Op de rolkaart c.q. op het dossier van de verzoekschriftprocedure worden bij de naam van de rechtzoekende vermeld: - het nummer van de toevoeging; - de datum waarop het toevoegingsbesluit en de verklaring van onvermogen zijn overgelegd; - het bedrag van het in debet gestelde recht. De geldigheid van een toevoeging moet voor wat betreft rechtsbelang worden getoetst aan de hand van artikel 32 van de Wet op de rechtsbijstand ("De toevoeging geldt uitsluitend voor het rechtsbelang ter zake waarvan zij is verleend en, in het geval van een procedure, voor de behandeling daarvan in één instantie, de tenuitvoerlegging van de rechterlijke uitspraak daaronder begrepen.")
Samenvatting van deze bepaling (tarieven per 1 februari 2010):
bij een eigen bijdrage tot en met € 478,-- ( tot de ene hoogste inkomensklasse) wordt drievierde deel van het vast recht in debet gesteld; bij een eigen bijdrage van € 750,-- (hoogste inkomensklasse)wordt de helft van het vast recht in debet gesteld.
Voor de bij uitzondering voorkomende tussenliggende bedragen(tussen € 478-- en € 750,--) wordt drievierde deel van het vast recht in debet gesteld. Hierbij geldt de navolgende maximering van het niet in debet te stellen vast recht: indien het vast recht meer dan € 471,-- bedraagt, wordt dat recht in de hiervoor bedoelde gevallen, behoudens een bedrag van € 119,-- (bij een eigen bijdrage tot en met € 478,--) onderscheidenlijk € 239,-- (bij een eigen bijdrage van € 750,--) in debet gesteld."
Artikel 17, lid 2 (voorlopige indebetstelling ogv WRB)
Indien op het tijdstip waarop het vast recht verschuldigd wordt een afschrift van het besluit waarbij de voorlopige toevoeging is verleend als bedoeld in artikel 30, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand dan wel een afschrift van het in artikel 24, tweede lid, van de Wet op de rechtsbijstand bedoelde aanvraag is overgelegd, wordt het recht door de betrokkene verschuldigd voorlopig voor drievierde deel in debet gesteld. Het gestelde in de tweede zin van het eerste lid is van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
1. Als op het moment dat vast recht verschuldigd wordt, een voorlopige toevoeging of een aanvraag voor een toevoeging wordt overgelegd, dan wordt het verschuldigde recht voorlopig voor drievierde deel in debet gesteld. Het niet in debet gestelde deel van het recht wordt in rekening gebracht bij de advocaat of gemachtigde. De griffier dient van de overlegging aantekening te houden op het audiëntieblad, opdat daarmee bij de vaststelling van het recht na afloop van de zitting rekening kan worden gehouden. Het afschrift van de voorlopige toevoeging of de aanvraag blijft bij de stukken. Als het afschrift wordt overgelegd bij de indiening van een verzoekschrift of verweerschrift, dient daarvan aantekening te worden gehouden op het originele geschrift en in het register waarin deze stukken worden ingeschreven. Het afschrift van het verzoek wordt bij de stukken bewaard.
2. Indien het afschrift van de voorlopige toevoeging of een aanvraag voor een toevoeging te laat wordt overgelegd, maar dat het gevolg was van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan betrokkene waren toe te rekenen, kan de voorlopige indebetstelling op grond van art. 18a Wtbz ook achteraf plaatsvinden. Er moet dan drievierde deel van het eerder in rekening gebrachte bedrag aan de advocaat of gemachtigde worden teruggestort. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de wetgever in het bijzonder het oog heeft op in persoon procederende rechtzoekenden, die niet op de hoogte zijn van het feit dat zij vermindering van het vast recht kunnen aanvragen. Indien de betrokkene wordt bijgestaan door een professionele rechtshulpverlener, zal een verzoek om het vast recht ondanks niet-tijdige overlegging in debet te stellen, slechts onder bijzondere omstandigheden worden ingewilligd. De toelichting van punt 3 zal worden gevoegd bij het lid waar deze toelichting thuishoort nl.
3. Het vervolg van de voorlopige indebetstelling is geregeld in lid 3. Ingevolge art. 29 WRB moet het afschrift van het besluit van toevoeging zo spoedig mogelijk worden overgelegd, maar in ieder geval voordat de einduitspraak is gedaan. Zodra het (definitieve) besluit van de raad voor rechtsbijstand is overgelegd, moet aan de hand van de daarbij opgelegde eigen bijdrage worden bezien welk deel van het vast recht in debet moet worden gesteld. Indien dat drievierde deel is, hoeft geen verdere actie te worden ondernomen; de voorlopige indebetstelling wordt dan definitief. Indien sprake is van een eigen bijdrage waarbij de helft van het vast recht in debet wordt gesteld, dan moet een vierde deel van het recht worden bijgeheven. Dit deel kan van de rekening-courant van de advocaat of gemachtigde worden afgeschreven. Indien de raad voor rechtsbijstand een (definitieve) toevoeging heeft geweigerd, moet het voorlopig in debet gestelde drievierde deel volledig worden bijgeheven. In dat geval kan het bijgeheven recht echter niet van de rekening-courant van de advocaat of gemachtigde worden afgeschreven (zie lid 4).
4. De wet voorziet niet in de mogelijkheid dat op de dag van de uitspraak nog geen definitieve beslissing van de raad voor rechtsbijstand is overgelegd. Art. 18a Wtbz geldt niet voor de overlegging van deze stukken, die niet in de Wtbz maar in de WRB is geregeld. Een vergelijkbare redenering kan echter worden toegepast op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 27 september 1996 (NJ 1997, 39) ook gelden voor beslissingen van de griffier over vast recht. Deze beginselen brengen onder andere mee dat de griffier na het eindvonnis uit het niet overgelegd zijn van een definitieve toevoeging niet zonder meer mag concluderen dat de voorlopige toevoeging is ingetrokken of de aangevraagde toevoeging is geweigerd, maar eerst moet onderzoeken of overlegging van de definitieve toevoeging gelet op de termijn waarbinnen uitspraak is gedaan in redelijkheid mocht worden verwacht. Zo ja, dan mag de griffier het in debet gestelde vast recht direct opvorderen (al kan hij ook uit coulance navraag doen bij de advocaat). Zo nee, dan moet de griffier daarmee wachten tot het moment waarop overlegging wel in redelijkheid mag worden verwacht. De rechter die het eindvonnis wijst, weet bij het maken van het eindvonnis niet wat de griffier zal gaan beslissen. Gelet op de bedoelingen van art. 243 Rv ligt het voor de hand dat de rechter bepaalt dat de verliezende partij de proceskosten aan de griffier moet betalen, zodat de griffier het voorlopig in debet gestelde vast recht daarop kan inhouden als na het eindvonnis toch een definitieve indebetstelling volgt. Als het voorlopig in debet gestelde vast recht wordt opgevorderd én betaald, dan moet de griffier de daarvoor door de verliezende partij betaalde vergoeding doorbetalen aan de winnende partij. Andere complicaties kunnen door de griffier worden opgelost door art. 18a Wtbz analoog toe te passen.
Artikel 17, lid 3 (geweigerde of ingetrokken toevoeging)
Indien toevoeging wordt geweigerd of een toevoeging met toepassing van het bepaalde in de Wet op de rechtsbijstand wordt ingetrokken of zodanig wordt verleend of gewijzigd dat minder recht in debet dient te worden gesteld, is het alsdan verschuldigde recht terstond opvorderbaar.
Artikel 17, lid 4 (advocaat niet aansprakelijk bij geweigerde toevoeging)
De advocaat of gemachtigde van de betrokkene is niet aansprakelijk voor het recht dat na een weigering of intrekking van een toevoeging ingevolge het bepaalde in het derde lid opvorderbaar is.
Toelichting
Alleen als een toevoeging zodanig wordt verleend of gewijzigd dat minder recht in debet dient te worden gesteld, mag het als gevolg van die beslissing verschuldigde recht alsnog van de rekening-courant van de advocaat of gemachtigde worden afgeschreven. Bij intrekking of weigering van een toevoeging zijn de advocaat of de gemachtigde NIET aansprakelijk voor het dan verschuldigde vast recht en kan dus geen afboeking van de rekening-courant plaatsvinden. Het (nog) verschuldigde recht wordt bij nota rechtstreeks aan de betrokkene zelf in rekening gebracht.
Artikel 18, lid 1 (indebetstelling zonder toevoeging)
Indien geen toevoeging overeenkomstig de Wet op de rechtsbijstand is verleend, stelt de griffier het vast recht verschuldigd door de betrokkene wiens inkomen blijkens door deze over te leggen verklaring van de raad voor de rechtsbijstand, bedoeld in artikel 1 van die wet, niet meer bedraagt dan in artikel 35, derde lid en vierde lid, telkens onderdelen a tot en met d dan wel in die artikelleden, telkens onderdeel e, van die wet is bedoeld, voor drievierde deel, onderscheidenlijk voor de helft in debet.
Artikel 18, lid 2 (vaststelling inkomen minvermogenden)
Artikel 35, vijfde tot en met achtste lid, van de Wet op de rechtsbijstand, artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 17, eerste lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
1.Heeft geen afgifte toevoeging door het bureau rechtsbijstandvoorziening plaatsgevonden, omdat partij zijn zaak zelf behartigt, dan kan de griffier op verzoek van de betrokkene bepalen dat het door hem verschuldigde recht voor drievierde deel of voor de helft in debet wordt gesteld. In debetstelling komt echter alleen aan de orde bij een inkomen lager dan de in de onderdelen a tot en met e van artikel, 35, derde en vierde lid van de Wet op de rechtsbijstand genoemde bedragen. Het inkomen wordt vastgesteld aan de hand van de door de partij over te leggen verklaring van de raad voor rechtsbijstand.
2. De beslissing van de griffier wordt aan de betrokkene gezonden, waarbij hem wordt medegedeeld dat hij op grond van artikel 25 Wtbz daartegen in verzet kan komen. Van de weigering om een toevoeging af te geven kan betrokkene binnen zes weken (zie artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht) na de datum van de verzending van die weigering een bezwaarschrift indienen bij de raad voor de rechtsbijstand.
3. In artikel 243 Rv. is geregeld dat de in het ongelijk gestelde wederpartij van degene die met een toevoeging heeft geprocedeerd, in de kosten kan worden veroordeeld. Voor de verwerking van deze kostenveroordelingen wordt verwezen naar Hoofdstuk 2 Kostenveroordelingen.
4. Zie voor de overeenkomstige toepassing van artikel 17, eerste lid de toelichting bij dat artikel.
Artikel 18a, lid 1 (alsnog indebetstelling obv redelijkheid)
Indien tijdige overlegging van stukken als bedoeld in artikel 17, eerste en tweede lid, en artikel 18, eerste lid, is uitgebleven ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan betrokkene zijn toe te rekenen, stelt de griffier het vast recht op verzoek van de betrokkene alsnog gedeeltelijk, onderscheidenlijk voorlopig gedeeltelijk, in debet. Het verzoek wordt door de betrokkene ondertekend. De griffier betaalt hetgeen inmiddels te veel is voldaan terug aan de betrokkene. Was het vast recht voldaan door een ander dan de betrokkene, dan kan terugbetaling ook plaatsvinden aan die ander, tenzij de betrokkene bij het verzoek te kennen heeft gegeven dit niet te wensen.
Toelichting
Uitgangspunt van de wet is dat een rechtzoekende die on- of minvermogend is, tegelijk met het indienen van zijn verzoekschrift verlaging van het griffierecht moet vragen. Tot de invoering van artikel 18a was een verzoek daartoe na indiening van het verzoekschrift niet-ontvankelijk. Dit werd ongewenst geacht. Veel indieners van verzoekschriften zijn juridisch niet geschoold en zijn niet op de hoogte van de regelingen ter zake van in debetstelling. Bij procedures op tegenspraak deden zich minder vaak problemen voor omdat het griffierecht pas bij het plaatsen op de rol werd vastgesteld. Er waren daardoor meer mogelijkheden de rechtzoekende te informeren.
Artikel 18a is in de wet opgenomen om het mogelijk te maken dat ook na vaststellen van het vereiste griffierecht, een verzoek tot indebetstelling kan worden gedaan. Hieraan zijn wel beperkingen gesteld. De belangrijkste is dat alleen in debetstelling kan plaatsvinden als het niet tijdig indienen van het verzoek daartoe "is uitgebleven ten gevolge van omstandigheden die redelijkerwijs niet aan betrokkene zijn toe te rekenen". Op de toelichting bij de acceptgiro die indieners van een verzoekschrift ontvangen behoort te staan dat het mogelijk is voor verminderd griffierecht in aanmerking te komen. Indien de verzoeker niet reageert naar aanleiding van deze mededeling en het bedrag betaalt, kan nadien niet meer om verlaagd griffierecht worden gevraagd. De mogelijkheid om griffierecht alsnog in debet te stellen geldt niet voor zaken die op 1 oktober 1999 al twee jaar of langer geleden waren geëindigd.
Artikel 18a, lid 2 (geen indebetstelling bij geïnde kostenveroordeling)
Is de wederpartij van de betrokkene op het tijdstip waarop alsnog stukken als bedoeld in het eerste lid worden overgelegd, reeds verwezen in de kosten van de instantie waarvoor het vast recht is verschuldigd, dan wordt het vast recht slechts in debet gesteld indien de wederpartij deze kosten nog niet heeft voldaan. Alsdan dient de wederpartij het alsnog in debet gestelde vast recht aan de griffier te voldoen en verliest de betrokkene in zoverre zijn recht op betaling. Het derde lid van artikel 243 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is van overeenkomstige toepassing.
Toelichting
Is de wederpartij in de kosten veroordeeld en heeft deze partij de kosten al betaald, dan heeft het geen zin meer om alsnog enig recht in debet te stellen. De on- of minvermogende heeft dan immers al het "te veel" betaalde griffierecht vergoed gekregen. Was nog niet aan de kostenveroordeling voldaan, dan kan onder de geldende voorwaarden, alsnog indebetstelling plaatsvinden. De griffier dient er dan voor te zorgen dat het alsnog in debet gestelde recht op de wederpartij wordt verhaald.
Artikel 18a, lid 3 (voorkomen dubbele inning)
In het geval, bedoeld in het tweede lid, wijst de griffier het verzoek slechts toe indien de betrokkene de aan hem afgegeven afschriften overlegt van het vonnis of de beschikking waarbij zijn wederpartij in de kosten is verwezen. De griffier doet van de indebetstelling aantekening op de minuut en de overgelegde afschriften van het vonnis of de beschikking. Toelichting Om eventuele dubbele inning van vast recht bij de wederpartij te voorkomen, dient de verzoeker de verstrekte afschriften van het vonnis of de beschikking aan de griffier over te leggen en maakt de griffier aantekening van de indebetstelling