Op het aanvraagformulier extra uren wordt gevraagd om te motiveren waardoor de behandeling in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens kan plaatsvinden. Deze motiveringsvraag splitst zich uit in vier subvragen; die naar algemene vraag waarom de zaak zich onderscheidt van alle andere zaken waarvoor het forfait geldt, naar de feitelijke- en/of juridische complexiteit en naar de andere bijzondere aspecten van de zaak.
Onderscheidt tov andere zaken
Bij de aanvraag om extra uren moet u aangeven wat deze zaak bewerkelijk maakt ten opzichte de andere zaken waarop het forfait is afgestemd. Het onderscheidt ten opzichte van de andere zaken splitst zich uit in de subvragen naar feitelijke en juridische complexiteit. Bij deze vraag dient in het algemeen - samenvattend - aan te geven wat deze zaak nu zo bijzonder maakt.
Voorbeelden:
Feitelijke complexiteit
Bij feitelijke complexiteit gaat moet vooral worden gedacht aan een zeer omvangrijk dossier, langdurige inhoudelijke correspondentie, een bijzonder lang procesverloop, veel zittingen.
Voorbeelden:
Juridische complexiteit
Bij de juridische complexiteit van de zaak moet gedacht worden aan bijzondere juridische rechtvragen die beantwoord moeten worden waarvoor (intensieve) studie nodig is van literatuur, wet- en regelgeving en (soms) jurisprudentie.
Voorbeelden:
Overige bijzondere aspecten van de zaak
Deze laatste vraag waar u de bewerkelijkheid van de zaak kunt motiveren, betreft een restvraag/vangnet. Indien de bewerkelijkheid niet bij de eerdere vragen al tot uitdrukking is gekomen, dient u aan te geven welke bijzondere aspecten van de zaak maken, dat de behandeling in redelijkheid niet binnen de tijdsgrens kan plaatsvinden.
Juist omdat het beleid van de Raad met name is gericht op de toekenning van extra uren bij feitelijke en juridische complexiteit, dient daar de meeste aandacht op te zijn gericht. Slechts zelden kunnen andere aspecten bijzondere aspecten van de zaak aanleiding zijn tot toekenning van extra uren.
In dit verband wordt nogmaals gewezen op het beleid dat factoren die herleidbaar zijn tot de persoon(lijkheid) van de rechtzoekende, zoals de maatschappelijke of culturele achtergrond, taalproblemen, psychische stoornis, onverzoenlijke houding) geen reden zijn om feitelijke complexiteit, en dus bewerkelijkheid van de zaak, aan te nemen. Ook ontbreken van een zeker deskundigheidsniveau aan de zijde van de advocaat is geen reden om juridische complexiteit aan te nemen.
Voorbeelden van andere aspecten:
Geplaatst op 26-12-2009, door Beheerder,
Laatst bewerkt op 26-12-2009, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten