Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

Opeisbaarheid declaratie; toevoeging nog niet ingetrokken

LJN: BH2634, Rechtbank Haarlem, 14 januari 2009
.1.  Partijen zijn – kort gezegd, en voor zover in het kader van het onderhavige geschil van belang – overeengekomen dat [gedaagde] [eiser] voor zijn werkzaamheden zijn reguliere honorarium verschuldigd zal zijn, indien de Raad voor Rechtbijstand de verleende toevoeging na beëindiging van de zaak intrekt. Uit de tekst van de overeenkomst, mede gelet op de in 2.5 genoemde brief van [eiser] aan [gedaagde], leidt de rechtbank af dat partijen hierbij het oog hebben gehad op de situatie dat de Raad voor Rechtsbijstand daartoe op basis van een resultaatbeoordeling een besluit met die strekking heeft genomen.

4.2.  De Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam heeft bij brief van 26 mei 2008 aan [gedaagde] bericht het voornemen tot intrekking van de toevoeging te hebben, en hem in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. [gedaagde] heeft bij brief van 16 juni 2008 van deze gelegenheid gebruik heeft gemaakt. [gedaagde] heeft – door [eiser] onweersproken – gesteld dat de Raad voor Rechtsbijstand hierop nog niet heeft beslist. De enkele omstandigheid dat de in 2.7 genoemde brief van de Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam van 6 juni 2008 aan [eiser] de passage bevat dat de Raad ‘met deze beslissing de toevoeging in[trekt]’, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot de conclusie dat de Raad daartoe een besluit genomen heeft, temeer niet nu deze passage niet los kan worden gezien van de rest van de inhoud van de brief, waaruit naar voren komt dat de Raad slechts een voornemen tot intrekking heeft.

4.3.  [eiser] heeft zich ter comparitie beroepen op de in 2.9 aangehaalde brief van de Raad voor Rechtbijstand Amsterdam van 3 juli 2008. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de toevoeging die door de Raad voor Rechtsbijstand ’s–Hertogenbosch is verstrekt, geen opvolgingstoevoeging betreft, maar een nieuwe toevoeging. Aangezien door de Raad voor Rechtsbijstand een afrekening zal worden opgemaakt, is de vordering op [gedaagde] opeisbaar, aldus [eiser]. In reactie hierop heeft [gedaagde] zich op het standpunt gesteld dat deze intrekking betrekking heeft op de overgang naar een ander ressort, en dat nog geen resultaatbeoordeling heeft plaatsgevonden. Uit voornoemde brief leidt de rechtbank af dat de intrekking heeft plaatsgevonden vanwege de overgang van de zaak naar mr. Boonen en dat de beoordeling van het resultaat uiteindelijk door de Raad voor Rechtsbijstand ’s–Hertogenbosch zal worden gedaan. Gesteld noch gebleken is dat een resultaatbeoordeling heeft plaatsgevonden. Het standpunt van [gedaagde] is derhalve juist.

Geplaatst op 13-04-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart