Rechtsverwerking, vaak ook wel het langdurig stilzitten genoemd. Maar volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is er meer vereist dan alleen stilzitten.
Uitgangspunt dient te zijn dat van rechtsverwerking slechts sprake kan zijn, indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht (Hoge Raad 7 juni 1991, NJ 1991/708). Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende (Hoge Raad 26 maart 1999, NJ 1999, 445). Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou kunnen maken (Hoge Raad, 29 september 1995, NJ 1996, 89 en Hoge Raad 24 april 1998, NJ 1998, 621).
Toewijzingen verweren rechtsverwerking:
Een interessant voorbeeld van een zaak waar het verweer dat er sprake is van rechtsverwerking is toegewezen valt te lezen in Rechtbank Rotterdam, 10 december 2008, LJN: BG7507:
De rechtbank zal derhalve thans dienen te beoordelen of op basis van bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid bij gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt, dat eiser zijn aanspraken over de aflossing van de hypotheek-schuld jegens haar niet meer geldend zou maken. De rechtbank is van oordeel dat die bijzondere omstandigheden aanwezig zijn. Vaststaat dat eiser in zijn verzoekschrift tot vermindering van kinderalimentatie van 11 december 1991 – onder meer – heeft aangegeven, dat gedaagde gezien haar wisselende inkomsten niet benaderd is door Aegon voor de aflossing van de restant hypotheekschuld en dat het er op zal neerkomen dat hij, eiser, die schuld gaat aflossen. Verder staat vast dat gedaagde in een schriftelijke verklaring d.d. 8 januari 1992 heeft aangegeven, dat zij met ingang van 1 januari 1992 afziet van alimentatie voor de minderjarige kinderen [kind1], geboren op 5 juli 1980 en [kind2], geboren op 1 juni 1982. Uit de brief van Aegon van 17 juli 2006 aan gerechtsdeurwaarders Van den Bos valt op te maken dat ook Aegon er van is uitgegaan (op basis van het verzoekschrift tot vermindering van kinder-alimentatie), dat gedaagde was vrijgesteld van betaling van de restant hypotheekschuld aan Aegon en dat besloten is dat eiser de restantschuld alleen zou voldoen.
Nu bovendien vaststaat dat eiser jarenlang de restant hypotheekschuld aan Aegon in termijnen heeft afbetaald en hij vanaf 1 januari 1992 feitelijk geen kinderalimentatie meer heeft betaald, is naar het oordeel van de rechtbank bij gedaagde het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat eiser zijn aanspraken op een bijdrage van gedaagde in de aflossing van de hypotheekschuld jegens haar niet (meer) geldend zou maken. Daarbij acht de rechtbank mede van belang dat Aegon na januari 1992 [gedaagde] niet (meer) tot betaling van de restantschuld heeft aangesproken en dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] in de periode tussen 1993 en 2006 aan gedaagde heeft gevraagd bij te dragen in de aflossing van de restantschuld en dat hij dit ook niet heeft gedaan toen hij in juni 2006 Aegon heeft benaderd over het afkopen van de restantschuld tegen finale kwijting door betaling van een bedrag ineens. 2.12
Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is de rechtbank dan ook van oordeel dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat eiser thans nog aanspraak maakt op betaling van het door hem gevorderde bedrag. De rechtbank tekent daarbij aan dat gedaagde in haar positie onredelijk zou worden benadeeld indien eiser zijn aanspraak alsnog geldend zou kunnen maken, te meer nu gedaagde door tijdsverloop niet meer in staat zal zijn met terugwerkende kracht alsnog betaling van kinderalimentatie van eiser te vorderen.
Geplaatst op 10-01-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten
Laatst bewerkt op 09-05-2011, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten