Nieuwe tekst plaatsen Nieuw document uploaden Deeplink naar document

In het leven roepen of laten voortbestaan van gevaar

Met hoofddoek op kartbaan
LJN: BG4288, Gerechtshof 's-Gravenhage, 7 april 2010

De rechtbank hanteert als uitgangspunt dat het in het leven roepen of laten voortbestaan van gevaar onder omstandigheden als onrechtmatig handelen moet worden aangemerkt. Of dit handelen of nalaten onrechtmatig is hangt af van alle omstandigheden van het geval, waaronder begrepen de aard en de ernst van het mogelijke letsel, de waarschijnlijkheid dat dit letsel zich zal voordoen, de mogelijkheid van degene die het risico ter zake loopt om zelf maatregelen te treffen ter voorkoming van het letsel, de bezwaarlijkheid van het nemen van adequate voorzorgsmaatregelen en de gebruikelijkheid daarvan. Voorts is, voor het antwoord op de vraag of een waarschuwing als een adequate voorzorgsmaatregel kan worden beschouwd, van doorslaggevende betekenis of te verwachten valt dat de waarschuwing zal leiden tot een handelen of nalaten waardoor dit gevaar wordt vermeden (HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105 Jetblast).

 De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de -open- constructie van een kart, moet worden aangenomen dat bij het rijden met een kart een voorzienbaar gevaar bestaat dat een loszittende of –rakende hoofddoek van de bestuurder komt vast te zitten om of onder draaiende delen van de kart als wielen en assen. Uit de strekking van de onder 2.5 weergeven instructie en uit het door haar gestelde, kan worden afgeleid dat Cartingbaan Linnaeushof het bestaan van een reëel risico op verwezenlijking van dit gevaar onderkent. Het verweer van Recreatiepark Linnaeushof dat niet te voorzien was dat de hoofddoek van [eiseres] zou losraken en zich om de achteras zou wikkelen faalt derhalve. Wanneer een hoofddoek in de draaiende delen van de kart verstrikt raakt, bestaat er, een grote kans dat letsel aan hals of hoofd ontstaat, omdat dit kledingstuk op en om hoofd en hals pleegt te worden gedragen. Voor de hand ligt dat ernstig lichamelijk letsel het gevolg kan zijn. Dit gevaar kan op eenvoudige wijze afdoende worden afgewend, door ervoor zorg te dragen dat de hoofddoek niet loshangt of –raakt. Nu de gevaarlijke situatie voor een deel ontstaat door het loszitten of –raken van de hoofddoek en dit een kwestie is die alleen de drager daarvan in de hand heeft, dient deze daar bij het rijden met een kart zelf op bedacht te zijn en passende maatregelen te nemen. Anderzijds is het, gelet op de aard van het te verwachten letsel, onder alle omstandigheden aan de exploitant, als verantwoordelijke voor de potentieel gevaarlijke kart, om zijn klanten expliciet voor dit gevaar te waarschuwen. Het enkele aanbrengen van een (kleine) aankondiging met instructies , welke aan de aandacht van een minder oplettende klant kan ontsnappen, is in dat verband niet genoeg. Het uitdrukkelijk waarschuwen is ook weinig bezwaarlijk, reeds omdat er toch al personeel aanwezig is om instructie met betrekking tot het gebruik van de kart te geven. [eiseres] heeft onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het bij het gebruik van een elektrische kart daarnaast noodzakelijk is om het gebruik van beschermende kleding voor te schrijven of afdekplaten boven de wielen aan te brengen. Gelet op het voorgaande is voorts onjuist het standpunt van [eiseres] dat Cartingbaan Linnaeushof haar, nu zij een hoofddoek droeg, niet had mogen toestaan om met de kart te gaan rijden.

4.5.   Tussen partijen staat vast dat de hoofddoek van [eiseres] vastgeknoopt zat toen zij in de kart stapte en dat deze tijdens het rijden is losgegaan. Of de hoofddoek op zodanige wijze was geknoopt dat een punt los over de rug hing zoals [eiseres] stelt, of straks langs hoofd en schouders zoals Recreatiepark Linnaeushof c.s. stelt, kan in het midden blijven, nu niet de lengte van de hoofddoek of de wijze waarop deze om en langs haar hoofd en schouders was geschikt de directe oorzaak van het ongeval is geweest, maar het feit dat de hoofddoek tijdens het rijden is losgeraakt.

4.6.  Het voorgaande leidt ertoe dat wanneer vast komt te staan dat Recreatiepark Linnaeushof c.s. heeft nagelaten [eiseres] instructies te geven ter voorkoming van het gevaar dat loshangende kledingstukken opleveren doordat zij tussen de bewegende delen van de kart kunnen komen, gelijk [eiseres] betoogt, Recreatiepark Linnaeushof c.s. jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dientengevolge aansprakelijk is voor de door haar als gevolg van het ongeval geleden schade. [eiseres] onderbouwt haar stelling door te wijzen op een vijftal schriftelijke verklaringen van leden van de Islamitische Vereniging Langedijk met wie zij Recreatiepark Linnaeushof c.s. op 23 juni 2007 heeft bezocht Recreatiepark Linnaeushof c.s. betwist deze stelling gemotiveerd. Zij stelt dat zij bij meisjes en vrouwen die met een hoofddoek op in een kart willen gaan rijden, in alle gevallen visueel wordt gecontroleerd of de hoofddoek goed vast zit en wanneer dat op het oog zo lijkt te zijn, wordt altijd nog gevraagd of alles goed vast zit. Ter onderbouwing van haar stelling wijst Recreatiepark Linnaeushof c.s. op een vijftal schriftelijke verklaringen die zij heeft overgelegd. Volledigheidshalve voegt de rechtbank hier aan toe dat indien vast zou komen te staan dat Recreatiepark Linnaeushof c.s. [eiseres] op deze wijze heeft geďnstrueerd, zij heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht. Weliswaar heeft zij niet expliciet het te vrezen risico benoemd, maar van een dergelijke waarschuwing gegeven in die situatie, mag worden verwacht dat [eiseres], zich daardoor zou realiseren dat indien haar hoofddoek zou losraken, deze tussen de bewegende delen van de kart zou kunnen komen.
De rechtbank zal [eiseres], als degene op wie overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 Rv de bewijslast rust met betrekking tot de feiten die zij aan haar vorderingen ten grondslag legt, derhalve opdragen ter zake nader bewijs te leveren.

4.7.  Hoewel thans nog niet vast staat dat Recreatiepark Linnaeushof c.s. tot schadevergoeding veroordeeld zal worden, ziet de rechtbank uit oogpunt van proceseconomie aanleiding het beroep op eigen schuld en de schadeposten waarvoor vergoeding wordt gevorderd reeds nu bij de beoordeling te betrekken. Voor zover hierna wordt geoordeeld dat enig bedrag voor vergoeding in aanmerking komt, is dat uitdrukkelijk onder de voorwaarde dat [eiseres] zal slagen in haar bewijsopdracht en de aansprakelijkheid van Recreatiepark Linnaeushof c.s. daarmee komt vast te staan

+ eigen schuld

 

Geplaatst op 13-04-2010, door mr. J.J. van 't Hoff, De Lange c.s. Advocaten

Snelle links

Deze website

  • Toevoegen aan favorieten

Advocatenstart